Wanneer de auto ermee is uitgerust, waarschuwt dit systeem voor verlies van spanning in een of meerdere banden.

Het systeem kan worden geïdentificeerd door de sticker 1 in de auto.

De werking van de startvergrendeling

Dit systeem detecteert een verlies van spanning in een van de banden door tijdens het rijden de snelheid van de banden te meten.

Het waarschuwingslampje 2_ALL_197_1_pictogramme.png 2 verschijnt continu om de bestuurder te waarschuwen in geval van onvoldoende druk (leeggelopen band, lekke band enzovoort).

warning

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. De bestuurder moet altijd opletten en blijft verantwoordelijk.

Controleer de bandenspanning, inclusief het reservewiel, één keer per maand.

Werkingsomstandigheden

Het systeem moet worden gereset met de bandenspanning die op het bandenspanningsetiket wordt vermeld Uw bandenspanning. Anders is er kans dat er geen betrouwbare waarschuwing komt bij een aanzienlijk verlies van de bandenspanning.

Resetten moet altijd gebeuren na controle van de bandenspanning in de vier banden als deze koud zijn.

In de volgende situaties bestaat het risico dat het systeem te traag of niet correct werkt:

  • Systeem niet gereset na het oppompen van de banden of na elke andere verrichting aan de wielen;
  • Onjuiste reset van systeem: andere bandenspanning dan de aanbevolen spanning;
  • aanzienlijke wijziging van de belading of verdeling van de belading aan één kant van de auto
  • sportief rijden en aanzienlijk versnellen
  • rijden op een besneeuwd of glad wegdek
  • rijden met sneeuwkettingen
  • monteren van maar één nieuwe band
  • gebruik van banden die niet door de merkdealer goedgekeurd zijn

De bandenspanning moet worden gecontroleerd voordat de resetprocedure wordt gestart. Het systeem geeft geen waarschuwing als de druk niet overeenkomt met de aanbevolen druk.

tip

Een plots verlies van bandenspanning (klapband enz.) wordt mogelijk niet direct door het systeem opgemerkt.

Procedure voor resetten van de referentieniveaus voor bandenspanning

Deze gebeurt:

  • na elke keer opnieuw op spanning brengen of resetten van de bandenspanning;
  • na het verwisselen van een wiel;
  • na het gebruiken van de pompset voor de banden
  • na het wisselen van de wielen.

Deze moet altijd gebeuren na controle van de bandenspanning in de vier banden als deze koud zijn.

De bandenspanning moet afgestemd zijn op het huidige gebruik van de auto (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg...).

Houd u aan de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel). Controleer minstens één keer per maand en voor een grote reis de bandenspanning (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier)Banden.

Auto's zonder multimediascherm

Contact aan, stilstaande auto:

  • Druk meerdere keren kort op knop 3 om naar het tabblad "voertuig" te gaan;
  • Druk kort op de schakelaar 4 of 5 om de pagina "Bandenspanning init. druk lang op" te bereiken;
  • houd de schakelaar 6 "OK" ingedrukt om de reset te starten.

Houd schakelaar 6 ingedrukt totdat de melding "Bewerking voltooid" verschijnt. U kunt nu rijden.

Auto's met een multimediascherm

De resetprocedure moet worden uitgevoerd terwijl de auto stilstaat en het contact is ingeschakeld.

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Berichtweergave

De onderstaande tabel toont de mogelijke berichten voor de bandenresetprocedure.

Treeplank

Berichten

Interpretatie

-

Init. bandenspanning bij stop

Het bericht verschijnt onderweg. Als u de spanning van de vier banden wilt resetten, stop dan de auto.

1

Druk lang op initialisatie bandenspanning

Houd de schakelaar 6 "OK" ingedrukt om het resetten te starten totdat de melding "Als de druk in orde is [even wachten]" verschijnt om de spanning van de vier banden te resetten terwijl de auto stilstaat.

2

Als druk in orde is [even wachten]

De melding knippert en herinnert u eraan dat de druk moet worden aangepast aan de aanbevolen waarden op het bandenspanningslabel voordat het systeem Uw bandenspanning wordt gereset. Houd schakelaar 6 "OK ingedrukt om het resetverzoek te bevestigen totdat de melding "Handeling voltooid" verschijnt.

3

Beweging klaar

De resetprocedure is succesvol afgerond. U kunt nu rijden.

Corrigeren van de bandenspanning

De spanningen van de vier banden moeten koud worden ingesteld (raadpleeg label A op de zijkant van het bestuurdersportier) Uw bandenspanning.

Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, dan moeten de opgegeven waarden worden verhoogd met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI).

Verlaag nooit de spanning van een warme band.

Elke keer dat de banden worden opgepompt of de bandenspanning wordt gecorrigeerd, moet de referentiewaarde voor de bandenspanning opnieuw worden ingesteld.

Vervangen van wielen/banden

Gebruik alleen apparatuur die is goedgekeurd door het merknetwerk.

anders bestaat het risico dat het systeem te laat wordt geactiveerd of niet goed werkt Banden.

Elke keer dat een wiel/band wordt verwisseld, moet de bandenspanning worden gecorrigeerd en moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.

Reservewiel

Zodra het aanwezige reservewiel op de auto is gemonteerd, moet de bandenspanning worden gecorrigeerd en moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.

Spuitbussen voor bandenreparatie en pompset

Gebruik alleen apparatuur die door het merknetwerk is goedgekeurd. Anders loopt u het risico dat het systeem met vertraging of slecht werkt. Pompset voor de banden.

Nadat de pompset voor de banden is gebruikt, corrigeert u de bandenspanning en reset u de referentiewaarde voor de bandenspanning.

Bandenspanningsstoringen

De volgende tabel toont de waarschuwingsberichten die op het instrumentenpaneel 7 verschijnen wanneer het systeem een fout in de bandenspanning detecteert.

Tabel met foutmeldingen

De informatie op het instrumentenpaneel duidt op mogelijke bandenspanningsstoringen (bijv. een leeggelopen of lekke band).

Waarschuwingslampjes

Berichten

Interpretatie

2_ALL_197_1_pictogramme.png

gaat branden.

Banden oppompen en initiëren.

Dit geeft aan dat er een te lage bandenspanning of lekke band is gedetecteerd. Controleer en stel de spanning van de vier banden in koude toestand in en reset het systeem.

2_ALL_197_1_pictogramme.png

knippert en blijft dan branden

Bandenspanning controleren en initiëren.

Dit geeft aan dat de reset niet is gelukt. Controleer de bandenspanning en stel deze opnieuw af voordat u de resetprocedure opnieuw start.

2_ALL_197_1_pictogramme.png

knippert en blijft dan branden, samen met het waarschuwingslampje

1_ALL_036_1_pictogramme.png

TPW controleren

Dit duidt op een storing in het systeem. Ga naar een merkdealer.

2_ALL_197_1_pictogramme.png

knippert en blijft dan branden

TPW niet beschikbaar

Dit geeft aan dat een reservewiel voor noodgevallen met een andere maat dan de andere vier wielen op het voertuig is gemonteerd. Het systeem blijft niet beschikbaar totdat een wiel van dezelfde maat als de andere wielen is gemonteerd en de resetprocedure is uitgevoerd.