Functie verlichting overdag

Indien aanwezig schakelt de dagrijverlichting, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen, overdag automatisch in bij het starten van de motor en uit bij het stoppen van de motor.

Opmerking: de dagrijverlichting dooft automatisch als het controlelampje brandt.

Markeringslichten

2_ALL_127_1_pictogramme.png

Draai de ring 1 tot het symbool bij het merkteken 2 staat.

Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.

OPMERKING: afhankelijk van de auto is handmatig inschakelen van de markeringslichten alleen mogelijk als de parkeerrem is aangetrokken. Anders wordt het bericht "Parking lights unavailable" op het dashboard weergegeven om u te waarschuwen dat inschakelen van de zijlichten niet mogelijk is.

Dimlichten

2_ALL_008_1_pictogramme.png

Handbediend

Draai de ring 1 tot het symbool bij de markering 2 staat. Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.

Automatische werking

(afhankelijk van de auto)

Draai de ring 1 tot het symbool AUTO bij de markering 2 staat. Bij draaiende motor schakelen de dimlichten automatisch in en uit, afhankelijk van de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.

tip

Wanneer u links moet rijden met een auto met het stuur links (of andersom), bent u verplicht om tijdens uw verblijf de lichten te laten afstellen door een merkdealer.

tip

Zorg er altijd voor dat:

  • de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, condens enz.);
  • de lichtsensor 4 niet is bedekt (door vuil, voorwerpen enzovoort).

Grootlicht:

2_ALL_090_1_pictogramme.png

Duw met draaiende motor en met de dimlichten aan tegen de lichtschakelaar 1. Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.

Om het dimlicht weer in te schakelen, trekt u de lichtschakelaar 1 opnieuw naar u toe.

Mistachterlicht

Draai de middelste ring 3 van de schakelaar zo dat het symbool bij de markering 2 staat en laat dan los.

De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.

Het bijbehorende controlelampje op het instrumentenpaneel verdwijnt als de mistlampen of de buitenverlichting worden uitgeschakeld.

Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.

Lichten uitschakelen

Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij de markering 2.

tip

Bij mist, sneeuw of bij het vervoer van voorwerpen die voorbij de voorkant van het dak uitsteken, werkt de automatische verlichting niet altijd.

Het inschakelen van de mistlampen blijft de verantwoordelijkheid van de bestuurder: de controlelampjes op het instrumentenpaneel geven aan of de mistlampen branden (controlelampje brandt) of niet (controlelampje brandt niet).

warning

Controleer voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de verlichting en stel indien nodig de stand van de koplampen af (als het voertuig niet de normale last Massa’s (in Kg) voert). Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voorwerpen, enz.).