nieuwe Dacia Spring

Inleiding

Gebaseerd op de informatie van de radar 2 en camera 1 informeert deze functie de bestuurder over het tijdsinterval tussen de eigen auto en de voorligger zodat een veilige afstand tussen de twee auto's kan worden aangehouden.

De functie wordt geactiveerd als de auto een snelheid heeft van meer dan ongeveer 30 km/u.

Plaats van de camera 1

Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, condens enz.).

Plaats van de radar 2

Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw, een verkeerd gemonteerde nummerplaat voor, enz.) of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met autolak) of afgedekt door accessoires aan de voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille of het logo, enz.).

warning

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.

Inschakeling/uitschakeling

Auto's met een multimediascherm 3

Druk via de "Voertuig"-modus van uw multimediascherm 3 op het menu "Rijondersteuning".

De functie "Afstand volgen" activeren of deactiveren.

tip

Telkens wanneer de auto wordt gestart, blijft de functie in de modus die is opgeslagen toen de motor voor het laatst werd uitgeschakeld.

Auto's zonder een multimediascherm

(afhankelijk van de auto)

  • Druk met stilstaande auto zo vaak als nodig op de schakelaar 4 om het tabblad 3_ALL_038_1_pictogramme.png  weer te geven;
  • druk herhaaldelijk op schakelaar 5 of 6 om naar het menu 3_ALL_108_1_pictogramme.png te gaan, druk vervolgens op de schakelaar 7OK.
  • druk herhaaldelijk op schakelaar 5 of 6 om naar het menu "RIJHULPSYSTEMEN" te gaan, druk vervolgens op schakelaar 7 OK;
  • druk herhaaldelijk op schakelaar 5 of 6 om naar het menu Afstand waarsch. te gaan, druk vervolgens op de schakelaar 7OK;
  • druk nogmaals op de schakelaar 7 OK om de functie in of uit te schakelen:
    • 2_ALL_503_1_pictogramme.png functie ingeschakeld
    • 2_ALL_502_1_pictogramme.png functie uitgeschakeld.

Werking

Als deze functie actief is, wordt de indicator 8 op de display op het instrumentenpaneel weergegeven. Deze informeert de bestuurder over de afstand tussen de eigen auto en de voorligger:

  • A (grijs): functie niet operationeel;
  • A (groen): geen auto gedetecteerd;
  • B (groen): het tijdsinterval is groter dan of gelijk aan ongeveer 2 seconden (de afstand tussen de twee auto's aangepast aan uw snelheid);
  • C (geel): het tijdsinterval ligt tussen circa 1 en 2 seconden (onvoldoende afstand tussen de twee auto's);
  • D (rood): het tijdsinterval is ongeveer 1 seconde of minder (de afstand tussen de twee auto's is veel te kort).

Als de afstand tussen de twee auto's minder is dan ongeveer 0,5 seconde, verschijnt het controlelampje 8 en het display D in het rood op het instrumentenpaneel, samen met "-.- s".

In bepaalde omstandigheden wordt het tijdsinterval mogelijk niet getoond:

  • tijdens het nemen van een bocht;
  • bij het veranderen van rijstrook;
  • als de auto vóór u ver genoeg verwijderd is of buiten bereik is van de radar of camera.

Waarschuwingen

warning

Het interval wordt alleen getoond ter informatie: het systeem kan niet ingrijpen op de auto.

De functie is niet bestemd om gebruikt te worden in de stad of in dynamische rijomstandigheden (bochten, versnellingen, bruusk remmen...), maar wel in stabiele rijomstandigheden.

De functie heeft geen invloed op het remsysteem.

Het gebied rond de radar en camera moet schoon worden gehouden en in dit gebied mogen geen manipulaties worden uitgevoerd om de goede werking van het systeem te waarborgen.

Alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het gebied waar de radar of camera zich bevindt (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit en/of bumper, enz.) moeten door een vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.

warning

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.

Werkzaamheden/reparaties van het systeem

  • Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
  • Alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het gebied waar de radar en/of camera zich bevinden/bevindt (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit en/of bumper, enz.) moeten door een vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.

Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.

Storingen van het systeem

  • obstructie van de voorruit of de bumper (door vuil, ijs, sneeuw, condens enz.);
  • een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enz.);
  • slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enz.).
  • slecht zicht (nacht, mist enz.);
  • weinig contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in de sneeuw enz.);
  • verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
  • de weg is smal, bochtig en golvend (scherpe bochten enzovoort)

Risico van onjuiste vals alarm.