Uw voertuig is uitgerust met:

  • ABS (antiblokkeersysteem);
  • elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole;
  • noodstopbekrachtiging;
  • hulp bij wegrijden op een helling.
warning

Deze functies zijn extra hulpmiddelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aangepast wordt.

Deze functies kunnen de bestuurder echter niet vervangen. De limieten van het voertuig worden hiermee niet verlegd en vormen ook geen reden om harder te gaan rijden. Deze functies kunnen dus in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen - de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen.

ABS (antiblokkeersysteem)

Bij krachtig remmen voorkomt het ABS dat de wielen blokkeren, waardoor de remafstand wordt geoptimaliseerd, terwijl de macht over het voertuig behouden blijft. Onder deze omstandigheden is het mogelijk om obstakels te vermijden, ook bij het remmen. Bovendien optimaliseert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.).

Elke activering van deze functie is voelbaar door een trilling in het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de natuurkundige eigenschappen van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren enz.).

tip

Bij krachtig remmen adviseren we u het rempedaal krachtig ingedrukt te houden. Het is niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het remsysteem.

Storingen

  • Als het waarschuwingslampje 2_ALL_021_1_pictogramme.png op het instrumentenpaneel oplicht tijdens het rijden, werken de remmen nog normaal zonder ABS;
  • Als de waarschuwingslampjes 2_ALL_021_1_pictogramme.png en tijdens het rijden op het instrumentenpaneel verschijnen, is er een defect in het remsysteem.

In dit geval wordt ABS ook uitgeschakeld.

Ga naar een merkdealer.

Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractieregeling

Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC

(afhankelijk van de auto)

Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).

Onderstuurregeling

Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).

Tractiecontrole

Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden, accelereren of decelereren te controleren.

De ESC-functie uitschakelen

Contact aan, stilstaande auto;

In sommige situaties (rijden op een heel zachte ondergrond: bv. sneeuw, modder of rijden met sneeuwkettingen), kan het systeem de kracht van de motor verminderen om het doorslippen te beperken.

Als dit niet is vereist, kan de functie buiten gebruik worden gesteld:

  • Druk meerdere keren kort op knop 1 om naar het menu 3_ALL_038_1_pictogramme.png te gaan;
  • druk herhaaldelijk op knop 2 of 3 om het menu " Voertuiginstellingen" te openen. Druk op de schakelaar OK4;
  • druk herhaaldelijk op knop 2 of 3 totdat u bij het menu "Traction control" komt. Druk op de schakelaar OK4;
  • Druk de OK-schakelaar 4 in om de functie ESC uit te schakelen.

Het waarschuwingsbericht "ESC OFF" en het waarschuwingslampje 2_ALL_187_1_pictogramme.png verschijnen op het instrumentenpaneel om u hiervoor te waarschuwen.

Als u deze functie uitschakelt, wordt de tractiecontrole (ASR) ook uitgeschakeld.

Omdat het elektronische stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractieregeling voor bijkomende veiligheid zorgt, raden wij af om niet te rijden als deze functie is uitgeschakeld.

Opmerking: de functie wordt automatisch weer ingeschakeld bij het aanzetten van het contact van de auto, of zodra deze sneller rijdt dan ongeveer 50 km/u. Als de auto langzamer dan 50 km/u rijdt, wordt de functie uitgeschakeld.

De werking van de startvergrendeling

Een opname-element in het stuurwiel registreert de richting waarin de bestuurder de auto wil laten rijden.

Andere opname-elementen in de auto registreren de werkelijke verplaatsingsrichting. Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gegeven bevelen en gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, op bepaalde wielen te remmen en/of het motorvermogen aan te passen. Als het systeem in werking is, wordt dit aangeduid door een knipperend controlelampje 2_ALL_170_1_pictogramme.png op het instrumentenpaneel.

Storingen

Wanneer het systeem een storing detecteert, verschijnen het waarschuwingsbericht en het waarschuwingslampje 2_ALL_170_1_pictogramme.png op het instrumentenpaneel.

In dat geval wordt het elektronische stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole uitgeschakeld.

Raadpleeg een merkdealer als deze controlelampjes op het instrumentenpaneel blijven branden nadat het contact is uit- en aangezet

Noodstopbekrachtiging

Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.

De werking van de startvergrendeling

Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In dit geval ontwikkelt het remsysteem onmiddellijk de maximale kracht en kan het ABS in werking treden.

Het ABS-remsysteem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.

Storingen

Als het systeem een storing signaleert, verschijnt de storingsmelding "Controleer remsysteem" op het instrumentenpaneel, in combinatie met het oplichten van het waarschuwingslampje 1_ALL_036_1_pictogramme.png .

Ga naar een merkdealer.

Hulp bij wegrijden op een helling

Dit systeem helpt u bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt door automatisch te remmen wanneer de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.

Werking van het systeem

Het werkt alleen als de versnellingshendel niet in de neutraalstand (N) staat en als de auto geheel stil staat (rempedaal ingetrapt).

Het systeem houdt de auto ongeveer 2 seconden stil. Daarna komen de remmen geleidelijk vrij (de auto rolt naargelang de helling).

warning

Het systeem van de hulp bij het wegrijden op een helling kan niet in alle gevallen totaal verhinderen dat het voertuig achteruit rijdt (zeer steile hellingen,

enz.).

De bestuurder kan altijd het rempedaal indrukken om te voorkomen dat de auto achteruit of vooruit rolt.

De hulp bij het wegrijden op een helling mag niet gebruikt worden om de auto langdurig stil te houden: gebruik het rempedaal.

Deze functie is niet bedoeld om de auto permanent te laten stilstaan.

Gebruik indien nodig het rempedaal om de auto te stoppen.

De bestuurder moet bijzonder oplettend blijven op een gladde ondergrond of met weinig grip en/of op een helling.

Gevaar van ernstige verwondingen.